Hallo, bezoeker | Login | Maak een gratis account.

Bever

Bever

Beschrijving:

De bever (Castor fiber) is een aquatisch knaagdier dat voorkomt in Europa en Noord-AziŽ. Het is het grootste knaagdier van Europa en ťťn van de grootste knaagdieren ter wereld.

Beschrijving

De bever is een groot aquatisch knaagdier. Hij heeft een brede, geschubde, horizontaal afgeplatte staart. De poten zijn vrij kort. De achterpoten hebben zwemvliezen. De kop is stomp en de oren en ogen zijn klein. De neus en oren kunnen worden afgesloten bij het zwemmen. Ook zit er in de wang een stuk weefsel dat de mond afsluit als het dier onder water knaagt. Hij verschilt van de Canadese bever (Castor canadensis) door de lichtere vachtkleur en langere neusbotjes. De vacht is geligbruin tot zwart van kleur. De meest algemene kleur is rossig bruin. Bevers uit noordelijke streken hebben een donkerder vacht dan zuidelijke dieren.

De bever heeft een kop-romplengte van ongeveer 75 tot 90 centimeter en een lichaamsgewicht van 12 tot 38 kilogram. De staart is 28 tot 38 centimeter lang. De grootte verschilt per regio. Er zitten geen grootteverschillen tussen mannetjes en vrouwtjes.

Sociaal gedrag en woongebied

Bevers leven in kleine familiegroepen in de buurt van water. Meestal leven er zo'n vijf ŗ zes bevers in een groep, bestaande uit een volwassen paartje en hun jongen van de twee laatste worpen. Jongen blijven zo'n twee jaar in een familiegroep, waarna ze hun eigen territorium gaan zoeken. Bij gevaar slaat een bever met zijn staart op het wateroppervlak.

De aanwezigheid van bevers wordt verraden door de aanwezigheid van omgevallen bomen, bomen waarvan de schors is afgeschild, ondiepe kanalen en een burcht in het water. Als het mogelijk is, bouwen ze een nest in een ondergronds hol (bijvoorbeeld langs de RhŰne). Anders bouwen de bevers een burcht. Bevers bouwen minder snel een burcht dan hun Canadese verwant, en de burchten van bevers zijn ook minder groot.

Bevers bouwen een burcht die tot 200 meter lang en 3 meter breed is. De ingang(en) hiervan bevindt zich onder water, waardoor ze onbereikbaar zijn voor roofdieren. De "woonkamer", bestaande uit een holle berg takken, bevindt zich boven water. Hierin wordt het nest gebouwd. De bodem van de woonkamer ligt vlak boven het waterniveau.

Ook leggen ze dammen en kanalen (tot 150 meter) aan, waarmee de waterhoogte in de omgeving van de burcht kan worden gereguleerd, zodat deze constant op dezelfde hoogte blijft en de burcht niet onder water loopt. Hierdoor ontstaan kunstmatige meertjes. Bij hoge uitzondering worden dammen van 800 meter gebouwd, maar dammen van meer dan 150 meter zijn geen uitzondering. Als bouwmateriaal gebruiken ze stammen, takken, modder en stenen. Ze kunnen een 25 centimeter dikke boom vellen in minder dan vier uur.

's Winters bevriest het water, waardoor ze niet naar boven kunnen om te ademen. Om dat toch te kunnen doen, maken ze een gat in de dam, zodat het water wegstroomt. Het water heeft zo plaatsgemaakt voor lucht.

Het volwassen paartje paart in februari. Na een draagtijd van 103 tot 108 dagen worden ťťn tot zes jongen (gemiddeld 2,7) geboren in juni. De jongen hebben een vacht bij de geboorte, en de ogen zijn open. Enkele dagen na hun geboorte leren ze zwemmen, in de ingangen van de burcht. De jongen verlaten de geboorteburcht na twee jaar. Ze zijn na twee tot drie jaar geslachtsrijp.

Gedrag

De bever is een dagdier, maar in gebieden waarin hij regelmatig verstoord wordt is hij hoofdzakelijk 's nachts actief. In onverstoorde gebieden laat hij zich voornamelijk 's ochtends zien.

Bevers zijn goede zwemmers. Ze kunnen tot vijftien minuten onder water blijven, maar een duik duurt meestal vijf ŗ zes minuten.

De bever heeft een zeer uitgebreid menu. 's Zomers eet hij kruiden, bloemen, jonge scheuten van waterplanten, grassen en wortels. Daarnaast eet hij ook alle delen van bomen en struiken (stam, takken, bladeren en wortels). Hij heeft een voorkeur voor wilg, populier en ratelpopulier. De schors van de stam knaagt hij af met zijn vlijmscherpe tanden. Zijn tanden groeien almaar door, omdat ze slijten door de tanden te gebruiken als gereedschap voor de bouw van hun burcht en een dam. 's Winters eet hij meer twijgen en schors, 's zomers meer groene plantendelen.

In tegenstelling tot de meeste andere knaagdieren houdt de bever 's winters geen winterslaap. In de herfst legt hij daarom een voedselvoorraad aan, bestaande uit takken en stammen van kleine bomen. Deze verankert hij onder water, in de buurt van de ingang. Het koude water houdt de voedingswaarde van de schors langer goed.

Verspreiding en leefgebied

Bevers zijn afhankelijk van gebieden met water en aangrenzende bosgebieden. Ze hebben een voorkeur voor riviervalleien met veel uiterwaarden, begroeid met zachthout, en houden zich voornamelijk op langs de trager stromende delen van de rivier. Ook zijn ze te vinden langs meren, beken, poelen en moerassen.

De bever leefde vroeger in een groot deel van Europa, van Frankrijk, de Benelux en ScandinaviŽ via Polen, de Baltische staten, KroatiŽ, Hongarije en de OekraÔne tot Rusland, MongoliŽ en China. Door de jacht is hij op enkele plaatsen uitgestorven, waaronder in de Benelux, Oostenrijk, Zwitserland, SloveniŽ en een deel van Frankrijk en Duitsland. In de meeste landen waar hij was uitgestorven is hij nu weer geherintroduceerd. BelgiŽ bijvoorbeeld telt momenteel al een populatie van ongeveer 400 bevers.

Bedreiging

Bevers worden meestal zeven of acht jaar oud, maar ze kunnen vijfentwintig jaar oud worden. De belangrijkste natuurlijke vijanden zijn grote roofdieren, voornamelijk de wolf. Andere belangrijke doodsoorzaken zijn verhongering, verdrinking (in de winter, als het water plotseling stijgt en de dieren niet kunnen ontsnappen door het ijs) en auto-ongelukken. Ook sterven veel bevers plaatselijk aan tularemie, een ziekte die de lever, longen, milt en lymfeklieren aantast.

De bever werd bejaagd voor zijn vacht (beverbont) en het castoreum of bevergeil. Dat is een door zijn anaalklieren afgescheiden substantie, gemengd met urine, waarvan men in de 17e eeuw een geneesmiddel maakte en gebruikte in de parfumerie. Deze naar muskus ruikende substantie gebruikt de bever voor het afbakenen van zijn territorium. Ook geeft het castoreum de bever een karakteristieke geur. De bever was sinds de 19e eeuw uitgestorven in Nederland.

De bever in Nederland en BelgiŽ

In Nederland leven een aantal gescheiden populaties die qua aantal groeien en qua leefgebied naar elkaar toegroeien. Na een herintroductie in Nederland in 1988 komt de bever voor in de Biesbosch en de Gelderse poort. Ook leven er dieren langs de Maas, mogelijk vanuit de Biesbosch en de Gelderse poort, of vanuit BelgiŽ, waar ook een groot aantal leven.

Ook in BelgiŽ is een herintroductie geweest in de jaren 90 van de 20ste eeuw. Er zijn toen 100 bevers uitgezet in de omgeving van Wibrin, een deelgemeente van Houffalize in de Belgische Ardennen. In 2009 leven er ongeveer 900 bevers in de Ardennen.

Flevoland

In Flevoland is een aantal bevers ontsnapt uit Natuurpark Lelystad. Ook deze dieren doen het goed. In 2005 werd door Staatsbosbeheer gemeld dat er 14 burchten zijn in Flevoland.

Biesbosch

In de Biesbosch zijn tussen 1988 en 1992 42 bevers uitgezet. De eerste exemplaren waren afkomstig uit het Elbegebied in het voormalige Oost Duitsland. Er leefden na een aanvankelijk moeizame start vanaf 1988, met veel sterfte, in het jaar 2000 circa 100 exemplaren. De Biesbosch blijkt geen ideale biotoop: de beverterritoria zijn er groot (een teken dat er per oppervlakte-eenheid niet zoveel te eten te vinden is) en in dode bevers wordt erg veel cadmium in de lever en de nieren aangetroffen, afkomstig uit de wilgenbast die het hoofdbestanddeel van hun dieet in de Biesbosch uitmaakt. Wilgen concentreren dit zware metaal uit de bodem. Ook worden er in de Biesbosch belangrijk minder jongen geboren dan op andere locaties, zodat de populatie maar langzaam groeit. De maximaal te handhaven beverpopulatie voor de Biesbosch wordt geschat op circa 190 exemplaren. In februari 2005 is er uitbreiding richting Gorinchem geconstateerd.

Gelderse poort

In de Gelderse poort leefden in 2000 circa 80 exemplaren.

Maas

Sinds 2002 zijn er ook op verschillende plekken in het Nederlands Limburgse Maasdal en belendende beekdalen bevers uitgezet. Deze breiden zich zowel in noordelijke als zuidelijke richting uit en kunnen in de nabije toekomst contact maken met bevers vanuit BelgiŽ die vanuit het zuiden oprukken.

Hunzedal

Eind 2008 is begonnen met de introductie van de bever in het Hunzedal en het Zuidlaardermeergebied op de grens van de provincies Drenthe en Groningen. Het doel is dat de bever na het Hunzedal ook de Noord-Drentse en Groninger beekdalen zal koloniseren.

Dijlevallei

In de Dijlevallei onder Leuven in Vlaanderen en WalloniŽ komen ook bevers voor, deze zijn afkomstig van een uitzetproject in WalloniŽ in 2000 en een in Vlaanderen in 2003.

Toekomst

Anno 2005 wordt de totale populatie in Nederland door Staatsbosbeheer op 200 exemplaren geschat en is groeiende. De bever staat (nog) op de rode lijst met de status 'gevoelig'. Mogelijk zullen de deelpopulaties op elkaar gaan aansluiten en op die in BelgiŽ.

Bron: Wikipedia